Please ensure Javascript is enabled for purposes of website accessibility

Blijf op de hoogte

Overzicht

Leerbegeleidersdag over impactonderzoek

Blogpost 26 Mar 2026

Sioo-leerbegeleiders maken het verschil in zowel open als in-company trajecten. Het is het ‘schaap met de vijf poten’ met een cruciale rol in het creëren van de condities voor leren en ontwikkelen.  Leerbegeleiding is een vak, een vak dat je vooral in de praktijk leert. Juist daarom werken onze leerbegeleiders en programmamanagers, in nauwe samenwerking, continu aan hun professionalisering. De jaarlijkse leerbegeleidersdagen spelen daarin een belangrijke rol: momenten waarop we programma-overstijgend samenkomen om te leren van overeenkomsten én verschillen in aanpak.

Want of het nu gaat om open of in-company trajecten, we leveren altijd maatwerk afgestemd op doelgroep, context en beoogd effect.

Vorig jaar stond de leerbegeleidersdag in het teken van actieonderzoek. Dat kreeg vervolg in een serie verdiepende bijeenkomsten, waarin we verschillende vormen van actieonderzoek verkenden die we binnen onze programma’s toepassen. Ook al noemen we het lang niet altijd actieonderzoek.

Dit jaar stond de dag in het teken van een thema met een stevige titel: impact meten en impactonderzoek. Onder begeleiding van Suzanne Verdonschot verkenden we wat impact betekent in ons werk. Impact is een veelgebruikt begrip, maar wij verstaan daaronder ‘de werking en doorwerking van interventies in de omgeving’. Dat kunnen interventies in het kader van een professionaliseringstraject zijn, van organisatieontwikkeling of het werken aan een opgave.

Wat is impact en hoe meet je het?
We begonnen met een check-in in kleine groepen. Dat leverde een rijk palet aan perspectieven en vragen op zoals: van wie is impact eigenlijk en op welke termijn wordt die zichtbaar? Vervolgens wisselden we ervaringen uit over de manieren waarop we evalueren en meten, onder andere aan de hand van de niveaus van Kirkpatrick. De eerste drie niveaus gaan niet direct over impact in de hierboven genoemde betekenis, maar zijn wel degelijk essentieel. Hier vindt namelijk het leerproces plaats en wordt de basis gelegd voor impact. Het vierde niveau richt zich op de bredere doorwerking, buiten de directe deelnemersgroep.

Niveau 1
Niveau één is reactie/proces, soms ook wel de ‘happyness sheet’ of ‘krokettenscore’ genoemd. Dat klinkt alsof dit niveau er niet toe doet, maar dat is zeker wel zo. Zo werkte ik zelf onlangs met een groep in een buurthuis waar de CV was uitgevallen. Dat heeft invloed, zelfs op een zeer actieve en gemotiveerde groep.

Bij dit niveau raakten we met elkaar in gesprek over het belang van zoveel mogelijk werken volgens de beoogde bedoeling en zorgen dat deelnemers ervaringen op doen die systemisch doorwerken en dus bijdragen aan het creëren van impact. En als we die term ‘impact’ dan even op de populaire wijze gebruiken, oftewel de directe impact, er is direct effect. Juist doordat ze een zeer rijke, en soms ook ambigue, ervaring opdoen. Die dus ook bij, en voor iedereen, anders uitpakt. Daarmee draagt die bij aan de impact op de lange termijn in de bredere doorwerking in de omgeving.

Niveau 2
Het tweede niveau gaat over de leerresultaten. Wij toetsen zelden de geleerde feiten. Soms werken we tussendoor een keer met een quiz of een andere speelse vorm om kennis uit eerdere sessies te activeren. Onze toetsing bestaat veelal uit reflecties of journals waaruit blijkt hoe kennis is toegepast en tot wat voor inzichten dat weer heeft geleid en hoe dat weer bijdraagt aan de ontwikkeling van iemands professionaliteit en wendbaarheid. Die toetsen we dan wel weer op in- en externe congruentie.

Niveau 3
Het derde niveau is het concrete werkgedrag. Zeker in in-company trajecten zijn we daar zeer alert op. En dan niet alleen op het individuele, maar juist ook op het collectieve niveau. Zien we een verschuiving in de patronen in de organisatie en bewegen die de gewenste kant op? De kunst als leerbegeleider is dan dat je elke kans aangrijpt die zich aan dient in het programma om daarop in te spelen. Het is dan zeer helpend als je als organisaties en leerbegeleiders de gewenste ‘van-naar beweging’ scherp hebt.

Niveau 4
Het vierde niveau is dat van de resultaten en de impact. Wij geloven niet in één afsluitend impactonderzoek achteraf. Dat levert misschien waardevolle inzichten op, maar vaak is het al te laat om nog bij te sturen. Daarom kiezen we voor doorlopende monitoring, met een mix van instrumenten. Zo kunnen we interventies gedurende het traject aanpassen en blijven we in gesprek met deelnemers, opdrachtgevers en bestuurders.

Impact meten is daarmee geen doel op zich, maar een middel. Zoals Suzanne het treffend formuleert: “als je beweging wilt vergroten, moet je weten waar het beweegt.” Dat vraagt om daadwerkelijk kijken wat er gebeurt in de praktijk. Die impact is niet altijd direct zichtbaar, maar wordt vaak stap voor stap duidelijk. Bijvoorbeeld via interviews, waarin gradaties zichtbaar worden: van geraakt worden, naar inzicht, intentie, ander gedrag en uiteindelijk het effect in de omgeving.

Op basis van dergelijke inzichten kun je impactanalyses maken en op verschillende manieren visualiseren en ordenen.

Aan de slag met de impactmap
In de ochtend gingen we, aan de hand van concrete vraagstukken, zelf aan de slag met het maken van impactmaps. Dit sluit naadloos aan bij hoe we bij Sioo werken: leren door te doen, met eigen casuïstiek.

Idealiter stel je een impactmap op vóór de start van een interventie, zodat deze richting geeft aan het ontwerp. In de praktijk is dat niet altijd het geval. In onze subgroep merkten we hoe uitdagend het kan zijn om strategische doelen te vertalen naar operationele doelen en dus ook naar observeerbaar gedrag. Daarom is het juist waardevol om zo’n impactmap samen met (vertegenwoordigers van) de organisatie te ontwikkelen. Het proces van samen concretiseren helpt om het systeem beter te begrijpen en werkt op zichzelf al als interventie want grote termen en wollige verhalen moeten worden uitgepakt.

Ontwerpen voor impact
Na de lunch lag de focus op ontwerpen. Suzanne sprak ons expliciet aan in onze rol als ontwerpers. Ontwerpers beschikken over een repertoire waarmee zij tot vernieuwende oplossingen komen. Mijn oogst van de middag, na de check-in met mijn buurman was, dat bij ons de meeste energie ontstaat wanneer een ontwerp ons zelf verrast. Dus wanneer het resultaat anders uitpakt dan vooraf gedacht en in de praktijk nog extra, onvoorziene, waarde blijkt te hebben.

Goede ontwerpprincipes
Impact onderzoeken is natuurlijk leuk, maar ontwerpen dat je condities creëert zodat die impact kan ontstaan, is natuurlijk nog beter. Alle ontwerpers, en wij ook, hebben zo hun persoonlijke praktijktheorie over goede ontwerpen en goede ontwerpprincipes. Suzanne en haar collega’s deden literatuuronderzoek naar bewezen principes.  Dat leverde een lijst van twaalf principes op verdeeld over vijf categorieën:

  • De inhoud van het ontwerp
  • De flow van het ontwerp
  • De begeleiding van de deelnemers
  • De toepassing in het dagelijks werk
  • Het ontwerpproces van de interventie


Gelukkig zijn deze allemaal heel herkenbaar in onze praktijk. Aan de hand van de twaalf ontwerpprincipes scherpten we, in subgroepen, bestaande ontwerpen aan. In mijn subgroep pasten we ze toe op een leerlijn binnen een programma.

In de categorie inhoud van de interventie waren er twee waar we moeite mee hadden. Dat hing samen met dezelfde uitdaging van de ochtend. Het is nog te onduidelijk wat het gehele traject nu precies moet doen. Hoewel het ontwikkelen van sterke programma’s in het DNA van Sioo zit, brachten de principes nieuwe invalshoeken en versterkingen aan. Daarmee bleek ook dit onderdeel zeer waardevol.

‘De snelkookpan’
We sloten de dag af met een ‘snelkookpan’: in zes minuten een interventie versterken. De tijdsdruk hielp om scherp te kiezen. Zelf ging ik naar huis met een concreet idee voor een nieuwe visualisatie van twee samenhangende methodieken: een tastbaar resultaat van de dag.

Het gebruikte werkmateriaal van deze dag komt  uit het nieuwe editie van het boek ‘Impactonderzoek’ van Suzanne Verdonschot en Diede Stevens.  Dat maakt het voor iedereen eenvoudig om hier verder mee aan de slag te gaan. Wij gaan dit jaar zeker verder met het thema ‘impact onderzoeken’.

Sioo-leerbegeleiders maken het verschil in zowel open als in-company trajecten. Het is het ‘schaap met de vijf poten’ met een cruciale rol in het creëren van de condities voor leren en ontwikkelen.  Leerbegeleiding is een vak, een vak dat je vooral in de praktijk leert. Juist daarom werken onze leerbegeleiders en programmamanagers, in nauwe samenwerking, continu aan hun professionalisering. De jaarlijkse leerbegeleidersdagen spelen daarin een belangrijke rol: momenten waarop we programma-overstijgend samenkomen om te leren van overeenkomsten én verschillen in aanpak.

Want of het nu gaat om open of in-company trajecten, we leveren altijd maatwerk afgestemd op doelgroep, context en beoogd effect.

Vorig jaar stond de leerbegeleidersdag in het teken van actieonderzoek. Dat kreeg vervolg in een serie verdiepende bijeenkomsten, waarin we verschillende vormen van actieonderzoek verkenden die we binnen onze programma’s toepassen. Ook al noemen we het lang niet altijd actieonderzoek.

Dit jaar stond de dag in het teken van een thema met een stevige titel: impact meten en impactonderzoek. Onder begeleiding van Suzanne Verdonschot verkenden we wat impact betekent in ons werk. Impact is een veelgebruikt begrip, maar wij verstaan daaronder ‘de werking en doorwerking van interventies in de omgeving’. Dat kunnen interventies in het kader van een professionaliseringstraject zijn, van organisatieontwikkeling of het werken aan een opgave.

Wat is impact en hoe meet je het?
We begonnen met een check-in in kleine groepen. Dat leverde een rijk palet aan perspectieven en vragen op zoals: van wie is impact eigenlijk en op welke termijn wordt die zichtbaar? Vervolgens wisselden we ervaringen uit over de manieren waarop we evalueren en meten, onder andere aan de hand van de niveaus van Kirkpatrick. De eerste drie niveaus gaan niet direct over impact in de hierboven genoemde betekenis, maar zijn wel degelijk essentieel. Hier vindt namelijk het leerproces plaats en wordt de basis gelegd voor impact. Het vierde niveau richt zich op de bredere doorwerking, buiten de directe deelnemersgroep.

Niveau 1
Niveau één is reactie/proces, soms ook wel de ‘happyness sheet’ of ‘krokettenscore’ genoemd. Dat klinkt alsof dit niveau er niet toe doet, maar dat is zeker wel zo. Zo werkte ik zelf onlangs met een groep in een buurthuis waar de CV was uitgevallen. Dat heeft invloed, zelfs op een zeer actieve en gemotiveerde groep.

Bij dit niveau raakten we met elkaar in gesprek over het belang van zoveel mogelijk werken volgens de beoogde bedoeling en zorgen dat deelnemers ervaringen op doen die systemisch doorwerken en dus bijdragen aan het creëren van impact. En als we die term ‘impact’ dan even op de populaire wijze gebruiken, oftewel de directe impact, er is direct effect. Juist doordat ze een zeer rijke, en soms ook ambigue, ervaring opdoen. Die dus ook bij, en voor iedereen, anders uitpakt. Daarmee draagt die bij aan de impact op de lange termijn in de bredere doorwerking in de omgeving.

Niveau 2
Het tweede niveau gaat over de leerresultaten. Wij toetsen zelden de geleerde feiten. Soms werken we tussendoor een keer met een quiz of een andere speelse vorm om kennis uit eerdere sessies te activeren. Onze toetsing bestaat veelal uit reflecties of journals waaruit blijkt hoe kennis is toegepast en tot wat voor inzichten dat weer heeft geleid en hoe dat weer bijdraagt aan de ontwikkeling van iemands professionaliteit en wendbaarheid. Die toetsen we dan wel weer op in- en externe congruentie.

Niveau 3
Het derde niveau is het concrete werkgedrag. Zeker in in-company trajecten zijn we daar zeer alert op. En dan niet alleen op het individuele, maar juist ook op het collectieve niveau. Zien we een verschuiving in de patronen in de organisatie en bewegen die de gewenste kant op? De kunst als leerbegeleider is dan dat je elke kans aangrijpt die zich aan dient in het programma om daarop in te spelen. Het is dan zeer helpend als je als organisaties en leerbegeleiders de gewenste ‘van-naar beweging’ scherp hebt.

Niveau 4
Het vierde niveau is dat van de resultaten en de impact. Wij geloven niet in één afsluitend impactonderzoek achteraf. Dat levert misschien waardevolle inzichten op, maar vaak is het al te laat om nog bij te sturen. Daarom kiezen we voor doorlopende monitoring, met een mix van instrumenten. Zo kunnen we interventies gedurende het traject aanpassen en blijven we in gesprek met deelnemers, opdrachtgevers en bestuurders.

Impact meten is daarmee geen doel op zich, maar een middel. Zoals Suzanne het treffend formuleert: “als je beweging wilt vergroten, moet je weten waar het beweegt.” Dat vraagt om daadwerkelijk kijken wat er gebeurt in de praktijk. Die impact is niet altijd direct zichtbaar, maar wordt vaak stap voor stap duidelijk. Bijvoorbeeld via interviews, waarin gradaties zichtbaar worden: van geraakt worden, naar inzicht, intentie, ander gedrag en uiteindelijk het effect in de omgeving.

Op basis van dergelijke inzichten kun je impactanalyses maken en op verschillende manieren visualiseren en ordenen.

Aan de slag met de impactmap
In de ochtend gingen we, aan de hand van concrete vraagstukken, zelf aan de slag met het maken van impactmaps. Dit sluit naadloos aan bij hoe we bij Sioo werken: leren door te doen, met eigen casuïstiek.

Idealiter stel je een impactmap op vóór de start van een interventie, zodat deze richting geeft aan het ontwerp. In de praktijk is dat niet altijd het geval. In onze subgroep merkten we hoe uitdagend het kan zijn om strategische doelen te vertalen naar operationele doelen en dus ook naar observeerbaar gedrag. Daarom is het juist waardevol om zo’n impactmap samen met (vertegenwoordigers van) de organisatie te ontwikkelen. Het proces van samen concretiseren helpt om het systeem beter te begrijpen en werkt op zichzelf al als interventie want grote termen en wollige verhalen moeten worden uitgepakt.

Ontwerpen voor impact
Na de lunch lag de focus op ontwerpen. Suzanne sprak ons expliciet aan in onze rol als ontwerpers. Ontwerpers beschikken over een repertoire waarmee zij tot vernieuwende oplossingen komen. Mijn oogst van de middag, na de check-in met mijn buurman was, dat bij ons de meeste energie ontstaat wanneer een ontwerp ons zelf verrast. Dus wanneer het resultaat anders uitpakt dan vooraf gedacht en in de praktijk nog extra, onvoorziene, waarde blijkt te hebben.

Goede ontwerpprincipes
Impact onderzoeken is natuurlijk leuk, maar ontwerpen dat je condities creëert zodat die impact kan ontstaan, is natuurlijk nog beter. Alle ontwerpers, en wij ook, hebben zo hun persoonlijke praktijktheorie over goede ontwerpen en goede ontwerpprincipes. Suzanne en haar collega’s deden literatuuronderzoek naar bewezen principes.  Dat leverde een lijst van twaalf principes op verdeeld over vijf categorieën:

  • De inhoud van het ontwerp
  • De flow van het ontwerp
  • De begeleiding van de deelnemers
  • De toepassing in het dagelijks werk
  • Het ontwerpproces van de interventie


Gelukkig zijn deze allemaal heel herkenbaar in onze praktijk. Aan de hand van de twaalf ontwerpprincipes scherpten we, in subgroepen, bestaande ontwerpen aan. In mijn subgroep pasten we ze toe op een leerlijn binnen een programma.

In de categorie inhoud van de interventie waren er twee waar we moeite mee hadden. Dat hing samen met dezelfde uitdaging van de ochtend. Het is nog te onduidelijk wat het gehele traject nu precies moet doen. Hoewel het ontwikkelen van sterke programma’s in het DNA van Sioo zit, brachten de principes nieuwe invalshoeken en versterkingen aan. Daarmee bleek ook dit onderdeel zeer waardevol.

‘De snelkookpan’
We sloten de dag af met een ‘snelkookpan’: in zes minuten een interventie versterken. De tijdsdruk hielp om scherp te kiezen. Zelf ging ik naar huis met een concreet idee voor een nieuwe visualisatie van twee samenhangende methodieken: een tastbaar resultaat van de dag.

Het gebruikte werkmateriaal van deze dag komt  uit het nieuwe editie van het boek ‘Impactonderzoek’ van Suzanne Verdonschot en Diede Stevens.  Dat maakt het voor iedereen eenvoudig om hier verder mee aan de slag te gaan. Wij gaan dit jaar zeker verder met het thema ‘impact onderzoeken’.